Een van mijn vreemdste, meest fascinerende vrienden is B. Hij is dertig jaar ouder, rookt stinkende sigaren en heeft een manisch-depressieve stoornis. Hij is belezen, scherpzinnig en vooral extreem interessant. Onlangs zei hij: We zijn allemaal even gestoord, maar er zijn twee soorten mensen: zij die er geld mee verdienen en zij die patiënte spelen. Of iets van die strekking. Het was een citaat van iemand anders, de naam is me ontschoten, en ik kan het nergens terugvinden.
Die opmerking zette me aan het denken over de antipsychiatrie. Daarom besloot ik me te verdiepen in enkele stemmen die het debat al decennialang vormgeven.
Thomas Szasz (1920-“2012) was een Hongaars-Amerikaanse psychiater en een van de grondleggers van de antipsychiatriebeweging. In zijn bekendste werk, The Myth of Mental Illness (1961), stelde Szasz dat geestesziekte slechts een etiket is voor gedrag dat de samenleving onaanvaardbaar vindt. Volgens hem werd psychiatrie vaak gebruikt om afwijking te onderdrukken in plaats van lijden te verlichten.
Een andere intrigerende denker is R.D. Laing, een Schotse psychiater, dichter en filosoof. Laing zag gekte als een mogelijke gezonde reactie op een zieke maatschappij. De samenleving verlangt conformiteit, redelijkheid, voorspelbaarheid. Wie zich daar niet in kan vinden, krijgt al snel het label schizofreen of gestoord. Voor Laing was psychose geen aandoening om te onderdrukken, maar een extreme vorm van menselijke ervaring die begrepen moest worden. Hij pleitte voor therapie zonder hierarchie: niet arts tegenover patient maar mens tegenover mens.
Vaak heb ik overwogen om in de zorg te werken“ om dichtbij te zijn waar het leven breekbaar wordt. Misschien juist omdat ik mijn eigen demonen ken: soms luidruchtig, soms zwijgend. Ze herinneren me eraan dat ook ik genezing zoek, op mijn eigen manier. En misschien is dat precies waarom ik naar de zorg word getrokken: wie zijn eigen duisternis kent, begrijpt beter hoe het licht kan troosten. Maar betaald worden onder het mom dat ik normaal ben en jij niet, dat spel weiger ik mee te spelen.
Zorg gaat voor mij niet alleen over genezen, maar over aanwezig durven zijn bij wat niet opgelost kan worden. Het is luisteren zonder oordeel, vasthouden zonder te willen redden. In die zin is echte zorg een vorm van menselijkheid ” niet het wegpoetsen van pijn, maar het delen ervan.
Het is normaal om met demonen te leven. Ze horen bij de menselijkheid, bij de barsten waardoor het licht naar binnen kan vallen. Niemand is vrij van strijd, en juist wie zijn eigen chaos durft aan te kijken, leert zacht te zijn voor de pijn van een ander. L.B.



