Er is iets pervers aan de moderne mens. We rennen, we streven, we vergelijken. We bouwen onszelf een hamsterwiel van ambities en noemen dat dan een carrièr. De rat race is geen metafoor meer, het is een leefstijl geworden, een collectieve hallucinatie waarin we elkaar applaudisseren voor onze uitputting.
Robert Sapolsky zou zeggen: we zijn de enige diersoort die zichzelf ziek maakt van stress. Een baviaan heeft pas stress als er een leeuw in de buurt is. Wij hebben stress als de e-mailserver even traag laadt. Don’t choose to be high ranking, choose social affiliation, zegt hij. Verbondenheid, niet status, houdt je gezond. Maar in een wereld waarin succes de enige moraal is, klinkt verbondenheid als een nederlaag.
Alan Watts had er ook geen goed woord voor over. Hij zag in het kapitalisme een toneelspel van angst: de eeuwige poging om te worden wie je al bent, de eindeloze dans tussen vrijheid en determinisme. Zijn ideeën sluiten nauw aan bij Schopenhauer, de man die ons leerde dat de wil nooit rust, dat verlangen het gif is dat ons drijft en uitput. We willen altijd iets anders, iets meer, iets dat ons zogenaamd compleet zal maken.
Henry David Thoreau deed het anders. Hij trok zich terug aan het Waldenmeer, ver weg van lawaai en ambitie. Eenvoud was voor hem geen armoede maar een vorm van vrijheid. Marianne Donner zou hem waarschijnlijk gelijk geven: de moderne mens is niet lui genoeg. In haar woorden klinkt een verzet tegen de constante druk om te presteren, om iets te worden. We mogen niet gewoon zijn.
Maslow zou dit allemaal willen herleiden tot zijn piramide: eerst zekerheid, dan zelfontplooiing. Maar wat als de top van die piramide leeg blijkt te zijn? Wat als zelfontplooiing niets anders is dan een nieuwe vorm van consumptie, een spirituele variant van de uitverkoop?
We spreken over minimalisme, essentialisme, eenvoud, maar zelfs dat is nu een lifestyle geworden, met designnotitieboeken en dure retraites. We leren “ontspullen†terwijl we er ondertussen een merk van maken.
Misschien is er geen uitweg. Misschien is de enige waarheid die van Sapolsky: we zijn primaten met te veel zelfbewustzijn. Of die van Schopenhauer: leven is lijden, en de rest is afleiding.
Toch is er troost in het besef dat we niets hoeven te winnen. Misschien is het enige verzet dat nog zin heeft, het weigeren om mee te doen. Een simpele dag, een boek, een kop koffie, een gesprek dat nergens toe leidt. Een leven dat niet groots is, maar draaglijk.
En misschien , heel misschien, is dat wat vrijheid werkelijk betekent. L.B



