Een ode aan Arthur Schopenhauer

Er zijn filosofen die de mens hoop geven, en er zijn filosofen die hem zijn illusies afnemen.
Arthur Schopenhauer deed het laatste. Hij geloofde niet in vooruitgang, niet in God, niet in de mensheid.
Hij geloofde in het lijden, en in de wil: dat blinde, ontembare principe dat alles voortstuwt, zonder reden, zonder doel.

Het leven is een slingerbeweging tussen pijn en verveling.

Dat was geen overdrijving. Voor Schopenhauer was dat de ontmaskering van het bestaan zelf.
Alles wat leeft, wil iets.
En zodra datgene bereikt is, ontstaat er leegte, verveling, en begint het verlangen opnieuw.
Een eindeloze cyclus zonder verlossing.
Geluk was voor hem niets meer dan de tijdelijke afwezigheid van pijn.

In een tijd waarin de wereld zichzelf dronken prees met ideeën over rede, vooruitgang en beschaving, stond Schopenhauer als een koude stem in de nacht.
Hij geloofde niet dat de mens goed was, of verbeterbaar.
Hij zag hem als een dier met te veel bewustzijn, gestraft met het vermogen om zijn eigen ellende te begrijpen.

De mens kan doen wat hij wil, maar hij kan niet willen wat hij wil.

Vrije wil was voor hem een illusie, net als geluk, net als betekenis.
We zijn, schreef hij, marionetten van de wil tot leven: datzelfde principe dat ons laat ademen, voortplanten, vechten en falen.
De mens denkt, maar het is de wil die regeert.
De wil tot leven is de ware despoot: ze jaagt ons aan tot liefde, tot werk, tot oorlog, en laat ons vervolgens uitgeput achter.

De eenzame filosoof

Schopenhauer was geen academische lieveling.

Hij leefde alleen, met zijn hond Atma (S), die hij beter behandelde dan de meeste mensen.
Hij had een hekel aan gezelschap, aan praat, aan oppervlakkigheid.
Hij schreef:

De mens die troost zoekt in anderen, is als iemand die schaduw zoekt in de nacht.

Zijn misantropie was geen haat, maar teleurstelling.
Hij verlangde naar waarheid, en vond in de mens alleen zelfbedrog.

Alles wat wij ervaren, is slechts verschijning; het wezen daarachter is de wil: blind, hongerig, eeuwig onvoldaan.

De schoonheid van berusting

En toch, midden in die duisternis, lag iets wat je bijna teder zou kunnen noemen: een stille, esthetische verlossing.
Kunst, muziek, mededogen: dat waren de momenten waarop de mens even ontsnapte aan de tirannie van de wil.
Voor Schopenhauer was muziek de zuiverste kunstvorm:

Muziek is niet de afbeelding van de wil, maar de wil zelf, die direct spreekt.

Daar, in de klanken van Mozart of Rossini, zag hij een glimp van vrede: een wereld zonder verlangen, zonder doel.
Niet omdat de muziek troost bood, maar omdat ze de wil tijdelijk tot stilte bracht.

Ook mededogen was voor hem een vorm van genade: de enige echte moraal.
Niet omdat we zouden moeten liefhebben, maar omdat we in de ander hetzelfde lijden herkennen dat onszelf verteert.

Medelijden is de grondslag van alle ware moraal.

Dat was zijn ethiek: geen gebod, geen religie, maar een droeve solidariteit tussen lijdende wezens.
Wie medelijden voelt, doorbreekt even de illusie van afgescheidenheid, en dat is het dichtst dat we bij verlossing kunnen komen.

De wil ontkennen

Schopenhauer vond uiteindelijk inspiratie in het boeddhisme.
De oosterse leer van het loslaten, het uitdoven van verlangen, leek hem de enige verstandige reactie op het bestaan.
Niet hoop, niet strijd, maar ontkenning.

Geluk is niet iets positiefs; het bestaat slechts in het verdwijnen van een verlangen, in het ophouden van pijn.

Het doel van wijsheid was dus niet om beter te leven, maar om minder te willen.
Wie de wil tot leven doorziet, kan hem stilleggen: in ascese, in kunst, in contemplatie.
De hoogste vorm van vrijheid is berusting.

In een wereld die zichzelf voortdurend opblaast met ambitie, klinkt dat als vloeken.
Maar Schopenhauer was geen pessimist in de oppervlakkige zin.
Hij was een realist van het hart.
Hij wilde de mens niet troosten, maar ontwaken.

Het leven is een zaak die haar kosten niet waard is.
Maar ook:
In onze donkerste momenten zien we het helderst.

Zijn nalatenschap

Na zijn dood werd hij herontdekt door schrijvers, kunstenaars, denkers: Nietzsche, Freud, Wagner, Tolstoj.
Iedereen die ooit te scherp voelde, vond bij hem een stem.
Niet omdat hij hoop bood, maar omdat hij de waarheid niet verstopte.

In zekere zin was Schopenhauer de eerste moderne mens: ontgoocheld, bewust, ironisch, te intelligent om nog te geloven.
Zijn gedachten over verlangen, projectie, zelfbedrog: ze waren hun tijd ver vooruit.

De vrede van het niets

Schopenhauer stierf alleen, maar niet ongelukkig.
Hij had vrede met de stilte.
In zijn laatste jaren schreef hij minder, luisterde meer naar muziek, keek uit over de Main in Frankfurt, waar hij woonde.
Zijn hond lag aan zijn voeten.
De wereld bleef lawaai maken, maar hij zweeg.

Misschien is dat zijn laatste les:
dat er vrijheid schuilt in het ophouden van strijd.
Dat we pas leven als we niets meer willen worden.

Wie iets is, hoeft niets te lijken.

mEER ARTIKELEN