(of hoe verontwaardiging onze nieuwe religie werd)

Ik ben het beu.
De goedkope kritiek. De digitale veroordelingen. De mensen die menen dat een mening een moreel wapen is, en dat zwijgen lafheid betekent. Facebook, X, Instagram: tempels van verontwaardiging.
Iedereen predikt, niemand luistert.

We zijn een volk van kleine aanklagers geworden.
We tikken, we zuchten, we oordelen. In minder dan drie seconden weten we precies wie fout is, wie dom, wie slecht. We lezen geen boeken meer, maar wel commentaarsecties. En we geloven dat morele opwinding hetzelfde is als inzicht.

Socrates zou zich doodgelachen hebben, of geërgerd.
Hij wist dat echte kennis begint met niet-weten. “Ik weet dat ik niets weet,” zei hij, en dat was geen pose. Het was een nederigheid die wij kwijt zijn geraakt.
Wij weten alles. En we weten het onmiddellijk.

Seneca waarschuwde al: “Wanneer je een ander veroordeelt, denk dan: ik doe hetzelfde of iets ergers.”
Maar op sociale media geldt het tegenovergestelde: de zonde van de ander zuivert onszelf. Iemand anders moet slecht zijn, zodat wij even goed kunnen lijken.

We zijn moreel geworden zoals men vroeger religieus was: uit angst.
Niet voor God, maar voor uitsluiting.
Het is niet meer belangrijk juist te zijn, alleen maar rein.

De kritiek die vandaag rondwaart is niet moedig of diep, ze is goedkoop, snel, herhaalbaar. Ze heeft niets te maken met waarheid, en alles met identiteit.
Een oordeel is een badge geworden, een digitaal merkteken van wie we denken te zijn.

Nietzsche zag dit al in zijn Genealogie van de moraal:

“Men oordeelt om zich beter te voelen, niet om te begrijpen.”
Ressentiment, noemde hij dat, de wrok van de zwakke die zijn frustratie verpakt als morele deugd.

En hij had gelijk.
De meeste kritiek vandaag is geen gedachte, maar een uitlaatklep. Een manier om niet te hoeven nadenken over je eigen tekort.

Hannah Arendt schreef over de banaliteit van het kwaad: hoe mensen vreselijke dingen kunnen doen zonder ooit echt te denken.
Vandaag is het kwaad niet banaal, maar lawaaierig. We doen niemand fysiek pijn, maar we vernederen met woorden, in massa’s, en met een glimlach.

Montaigne wist dat oordelen zelden rechtvaardig is.
“Iedereen roept zijn oordeel uit, maar niemand kent de ware oorzaak van de dingen.”
Dat citaat zou boven elke commentaarsectie moeten staan : als waarschuwing!

Het is niet dat kritiek slecht is.
Echte kritiek is liefde in haar strengste vorm. Ze vraagt aandacht, kennis, nuance. Ze vereist stilte vóór ze spreekt.
Maar wat we nu hebben, is geen kritiek meer, het is consumptie van verontwaardiging.

Iedere dag een nieuw onderwerp, een nieuw slachtoffer, een nieuwe golf van morele opwinding.
Vandaag is het een schrijver. Morgen een zanger. Overmorgen een onbekende die iets verkeerds zei in een video van twaalf seconden.

En ondertussen verdwijnt de mens.
De nuance. De twijfel.
We kennen elkaar niet meer: alleen onze oordelen.

Levinas schreef: “De ander blijft altijd een mysterie.”
Dat mysterie is precies wat we verloren hebben. We willen niet meer begrijpen, we willen bevestiging.
We praten niet tegen elkaar, maar tegen onze eigen echo’s.

Soms denk ik dat stilte de laatste vorm van verzet is.
Gewoon niet meedoen.
De stroom aan oordelen voorbij laten razen als een slecht orkest dat zijn partituur kwijt is.

Het is vermoeiend om mens te blijven in een wereld die leeft van veroordeling.
Maar dat is de enige waardige keuze die we nog hebben: niet reageren, niet oordelen, gewoon kijken, en proberen te begrijpen wat er misging.

mEER ARTIKELEN