
Er leeft een giftig figuur in mijn midden.
Een vrouw zo doordrongen van wrok
dat zelfs haar glimlach stinkt naar rancune.
Ik zie het aan hoe ze kijkt,
wachtend om haar gif zorgvuldig te doseren
in een enkele zin.
Wachtend op haar beurt
om de sfeer te bederven,
zoals altijd.
Wachtend op het juiste moment om te steken,
om iets te zeggen dat net diep genoeg snijdt
om onzichtbare schade aan te richten.
Niet uit passie,
niet uit oprechtheid,
maar uit gewoonte.
Kwaad als automatisme.
De oppervlakkigen zeggen
dat ze het vast niet kwaad bedoelt.
Maar ik weet wat ze aan het doen is,
zij weet wat ze aan het doen is.
Het boeddhisme fluistert me
dat ik zacht moet blijven,
dat begrip de hoogste vorm van kracht is,
dat vergeving de sleutel is tot innerlijke rust.
Maar ik heb niets gevonden in die zachtheid,
niets dan slapeloze nachten,
uren onder de douche
waarin ik eindelijk durfde zeggen
wat ik had moeten zeggen.
Maar te laat,
altijd te laat.
En nu weet ik:
zachtheid
is soms gewoon
een ander woord
voor lafheid.
L.B.


