Ode aan Charles Bukowski

Hij schreef niet om te onderwijzen, maar om te overleven. Zijn typemachine was een asbak, zijn woorden waren lucifers.
Elke zin rook naar alcohol, zweet en de kleine hoop dat morgen misschien iets minder pijn doet.

Find what you love and let it kill you, schreef hij. De meeste mensen begrepen alleen de romantiek van die zin, niet de wanhoop die eronder lag.
Bukowski wist dat liefde, drank, vrouwen en schrijven allemaal uit dezelfde put kwamen: de honger om iets te voelen, zelfs als het pijn deed.

Hij geloofde niet in vooruitgang of verlichting. De mens was geen engel in wording, maar een dier met een baan en schulden.
Toch had hij mededogen, een soort vuil mededogen voor de kleine man, de verliezer, de café heilige.
Hij zag schoonheid waar niemand durfde kijken: in lege supermarkten, in vrouwen met vermoeide ogen, in het moment waarop een man zijn laatste sigaret aansteekt en denkt: nog één dag dan.

What matters most, zei hij, is how well you walk through the fire. Niet of je eruit komt, niet of je wint, maar hoe je blijft lopen terwijl je brandt.
Bukowski brandde goed. Hij schreef over de lelijkheid van alles en maakte het mooi door het niet mooier te maken.
Hij had geen boodschap, geen missie, alleen de waarheid van een man die tegen middernacht naar zijn typemachine keek
en dacht: ik schrijf dus ik besta nog even.

Some people never go crazy. What truly horrible lives they must lead. Misschien is dat zijn echte nalatenschap:
dat hij gek genoeg was om eerlijk te blijven. Dat hij, in een wereld vol facade, koos voor vuile waarheid boven schone leugen.

mEER ARTIKELEN